Eerste stappen in de echte cinema

1960 is een beslissend jaar in de carrière van Raoul Servais: hij wordt aangesteld als leraar sierkunst aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent (kortweg KASK). Van dan af zal Servais zich aan zijn grote droom kunnen wijden: de realisatie van de animatiefilm waar hij al sinds 1957 mee bezig is.

In een lade van de koppige Oostendenaar ligt immers een scenario dat hij dolgraag zou verfilmen: “De Valse Noot”. Maar hij beseft dat zijn kennis en de infrastructuur waarover hij beschikt ontoereikend zijn voor dit project, onder andere omdat het de toepassing vergt van iets dat hij nog helemaal niet beheerst: de klank. Het zal wel met pijn in het hart geweest zijn dat hij dus voorlopig van dit scenario afziet, maar hij heeft ideeën genoeg en zo zet hij zich met overgave aan de bewerking van het oude Vlaams volksliedje “Het Loze Vissertje”. Het belang van deze keuze ligt vooral in het feit dat er een ‘afgewerkte klankband’ bestaat, en de film zal dienen als stramien bij het maken van “Havenlichten”. Servais zou drie jaar doen over de realisatie van “Havenlichten”, waarvoor hij een beroep deed op zijn vriend Jean Decock, een klankspecialist, en op vrienden, leerlingen en zijn vrouw. Zelf verzorgde hij de hele animatie en de achtergronden.

De film vertelt het wedervaren van een kleine lantaarn die door de grote lantaarns wordt uitgelachen. Hij wint echter ieders respect nadat hij een defecte vuurtoren ter hulp komt. Servais geeft in deze film blijk van een natuurlijk inzicht in de mate waarin animatie dingen kan tonen die met live action onmogelijk zijn: de helden van zijn film zijn lantaarns, een vuurtoren en vooral het licht, dat aangewend wordt als een narratieve en dramatische component.

De film is net op tijd klaar voor het Nationaal Festival van de Belgische Film van Antwerpen. Tot Servais’ grote verbazing krijgt hij de Eerste Prijs voor animatie. Goed, er waren niet veel films in competitie, maar behalve Ray Goossens waren er toch nog andere ‘professionelen’ bij de mededingers en Servais was eigenlijk evengoed in de wolken over de motivering van de jury, die de film prees om de originaliteit van de grafische stijl, als over de onderscheiding zelf.

Met het geld van de Antwerpse prijs kan Servais de zaken een beetje groter zien. Hij neemt daarom een beslissing die niet zonder gevolgen zal blijven: hij die enkele jaren tevoren nog droomde van de 16mm Paillard Bolex in de Oostendse winkel, besluit nu zijn volgende film op 35mm te draaien, het echte bioscoopformaat! Deze beslissing getuigt van durf. Voor dit leraartje uit de provincie, zondagsfilmer en autodidact in animatie, geboren in een land waar film maken een zeldzame bezigheid is en waarin de ‘groten’ steevast naar Parijs uitwijken, is zo’n beslissing ingrijpender dan men zou denken. Servais neemt contact op met een Brussels cameraman, Jean Rens, die hem een Debrie-camera uit 1928 verkoopt. Adrien Seynaeve bouwt hem om voor beeld-per-beeld opname.