LE FILM D’ANIMATION EN BELGIQUE AVANT 1940

Het is algemeen bekend dat de Belgische fysicus Joseph Plateau met zijn phenakistiscoop al in 1832 de grondslag heeft gelegd voor de ontwikkeling van wat pas in 1895 volwaardig ‘film’ zou worden. Het feit dat Plateau gebruik maakte van tekeningen en met zijn phenakistiscoop het eerste, embryonale, tekenfilmpje te zien gaf, is de reden dat men hem ook de voorloper van de animatiefilm noemt.

Maar het zou sinds Plateau nog meer dan honderd jaar duren – tot na de Tweede Wereldoorlog – vooraleer in België van een systematische en volwaardige animatiefilmproductie sprake kon zijn.

Nochtans bestond er te lande wel al vroeg belangstelling voor de animatiefilm. In diverse publicaties zijn vermeldingen betreffende animatiefilmbeoefenaars en hun filmpogingen terug te vinden.

Raoul Maelstaf heeft in zijn studie “De animatiefilm in België” (1976) deze bronnen grondig bestudeerd. Wij citeren uit zijn werk:

  1. « Reeds vóór de oorlog 1914-1918 vervaardigde schilder Blandin (van Franse afkomst) tekenfilms in België. Aan dit avontuur werd ook door J. Daveloose deelgenomen. »
  2. De Service Cinématographique de l’Armée Belge gebruikte in 1922 animatiefilm om aan rekruten « het mechanisme van een machinegeweer » of « de kogelbaantheorie » visueel uit te leggen.
  3. Een van de pioniers inzake meer vreedzame animatiefilm was Charles Conrad: « Te Machelen bevonden zich de studio’s van De Kempeneer, waar de eerste Belgische langspeelfilms gedraaid werden. Ik ontmoette er omstreeks 1928 een zekere Houssiaux. Hij had belangstelling voor de technische aspecten van film, en vervaardigde een tafel voor beeld-per-beeld opnamen. Het geheel was tamelijk rudimentair, en de tijd werd met een metronoom gemeten. Samen met de humorist Marcel Antoine ontwierp vader Houssiaux een tekenfilm met als titel « De lotgevallen van een slager en zijn worsten ». Mij werd gevraagd de personages te animeren. Ik had toen reeds de chronografieën van Muybridge bestudeerd. Na een tijdlang aan secundaire opdrachten te hebben gewerkt, ondernam ik in 1930 samen met Joseph Houssiaux de verwezenlijking van een gesonoriseerde tekenfilm in zwart-wit. Deze film is misschien wel de eerste in Europa gemaakte, gesonoriseerde tekenfilm. Ik kan mij niet herinneren wat er uiteindelijk van de film geworden is. »
  4. In 1926 werd in Antwerpen onder impuls van J. Kaekenberghen de productiefirma ‘Brabofilms’ opgericht. Deze groep waagde zich aan de animatiefilm, in samenwerking met de beeldhouwer Victor Van Hamme. Van Hamme ontwierp kleifiguren en decors. Voor de beeld-per-beeld opnamen werden de figuren door hem gemodelleerd. Titel van de film: « Het verdronken land van Saaftinghe ». De realisators konden amper enkele uren per week samenwerken. Dit werd de voornaamste reden voor de mislukking van het project. Nadat een dertigtal meters waren gedraaid moest het plan voorgoed worden opgegeven.
  5. Op het einde van de jaren twintig experimenteerde zelfs de bekende cineast-documentarist Henri Storck met rechtstreeks op de filmstrook aangebrachte tekeningen.
  6. In Brussel werkte Ernest Genval samen met A. Brunet, de kunstschilder E. Selkin en M. Van Hecke aan een fictie-animatiefilm « Plucky en Egypte » met een lengte van 250 meter. Cambier schreef de muziek en de film werd in 1932 voor vertoning vrijgegeven.
  7. Vanaf 1935 legde de studio van N. en R. Van Peperstraeten zich toe op de vervaardiging van films met uitgesneden papiermodellen, een methode die in andere landen veel bijval kende. Deze methode werd door hen gebruikt om enkele succesliederen op filmstrook vast te leggen (de eerste muziekvideoclips!) Hun studio was gevestigd aan het Martelarenplein in Brussel. Uit deze periode dateren de titels « Tout va très bien, Madame la Marquise » (1935) en « Couchés dans le foin » (1937).
  8. De periode vóór 1940 was niet zo vruchtbaar. De redenen liggen voor de hand: geen officiële steun en de onmogelijkheid om met een uitsluitend voor binnenlands gebruik bestemde productie tot een financieel gezonde toestand te komen. Toch was er een toenemende belangstelling vanuit reclamekringen. Dit verzekerde wel de financiële leefbaarheid, maar de in opdracht vervaardigde producten lieten niet veel mogelijkheid tot artistieke experimenten.