ANDERE VLAAMSE ANIMATIEFILMERS

Naast Raoul Servais verdienen nog enkele andere onafhankelijke animatiefilmers vermelding:
Abel Van Kerckhoven was een amateurfilmer die via de documentaire bij de poppenfilm terecht kwam. Op eigen kracht realiseerde hij in de jaren 60 een zevental voor kinderen bedoelde korte films op 16mm, zoals “Johan en de goudvis” (1959) en “Muddy en de wonderschoenen” (1961).

Een even opmerkelijke figuur in de Vlaamse animatiefilm is Antwerpenaar Louis Van Maelder, die zichzelf niet als professioneel filmer wilde zien, en die op zeer bescheiden manier toch een zevental films heeft gerealiseerd in de loop van de jaren 60 en 70. Zijn techniek bestond in het rechtstreeks tekenen op pellicule. Zonder enige vorm van overheidssteun of financiering slaagde hij erin een kwalitatief hoogstaand resultaat te bekomen. Zijn films werden regelmatig vertoond als voorfilm in de Antwerpse bioscoopzalen.

Zijn voorbeeld werd in dezelfde periode nagevolgd door Jules Vercammen, Aimé Vercruysse en Stan De Laeter, wellicht niet toevallig allen afkomstig uit het Antwerpse.

Walter René Van Welsenaere realiseerde in de jaren 60 en 70 diverse korte films na zijn opleiding animatiefilm aan de filmschool RITSC in Brussel, waar hij onderricht kreeg van Ray Goossens.

Daniël Schelfthout studeerde animatiefilm aan de KASK onder leiding van Raoul Servais. Twee van zijn bekroonde films zijn “Twee pillen” (1971) en “Ego” (1974).

Hugo De Kempeneer (artiestennaam hugoKé), bekend als karikaturist, heeft ook een tweetal korte animatiefilms gerealiseerd: “De grote verzoeking van St.-Antonius” (1971) en “Troubles” (1974).

In de jaren 70 waren er in Vlaanderen ook enkele commerciële productiestudio’s actief. Enerzijds waren er de Brusselse studio’s Belvision en Graphoui, twee Franstalige firma’s die evenwel in grote mate op Vlaams creatief animatietalent steunden. Verder was er de Antwerpse studio van Ray Goossens, en in Gent werd in 1970 PEN-film opgericht door Raoul Servais en enkele vennoten. Naast PEN-film werd het Belgisch Animatiefilm Centrum vzw (B.A.C.) opgericht met als doelstelling de meer culturele auteursfilms te produceren. PEN-film was met duidelijke ambities in het leven geroepen, en haalde ook een groot aantal opdrachten binnen. Zo werd de BRT-reeks “De Wonderwinkel” bij PEN-film gerealiseerd, en ook de langspeelfilm “Jan zonder Vrees” (1984) in regie van Jef Cassiers werd er gemaakt. Wegens interne strubbelingen werd PEN-film in 1987 opgedoekt. Het B.A.C. bleef als autonome entiteit bestaan en verhuisde naar Brussel. In 2001 kwam een einde aan de activiteiten van het centrum.

Hoewel we ons hier concentreren op animatie in Vlaanderen, toch even aanstippen dat men in Franstalig België niet stil zit. De Brusselse tekenaar Picha (echte naam Jean-Paul Walravens, °1942) speelt het in de jaren 70-80 klaar drie lange satirische tekenfilms af te leveren, die een internationale distributie krijgen: “Tarzoon, the shame of the Jungle” (1975), “The Missing Link” (1980) en “The Big Bang” (1987).

In de jaren 80 is er in Vlaanderen op het gebied van animatiefilmproductie maar weinig evolutie. De economische recessie doet zich ook in deze sector voelen. Raoul Servais is volledig in beslag genomen door zijn magnum opus “Taxandria”, dat maar liefst vijftien jaar lang in productie zal zijn. Enkel Atelier Vijf van Guido Staes in Antwerpen is productief en levert televisieanimatie voor kinderen. Bekendste titels zijn “Tjilp de mus” en de “Suske en Wiske”-serie. Het Belgisch Animatiefilm Centrum (B.A.C.) produceert met overheidssteun een aantal korte auteursfilms. “Het Landhuis” van Josette Janssens (1981) is een zeldzame hoogvlieger. Janssens, een beloftevol talent voor de animatiefilm, verliest echter voortijdig het leven (in 1985, 35 jaar oud). Een aantal getalenteerde animators die afstuderen aan de KASK proberen op eigen vleugels productiestudio’s op poten te zetten, o.a. Beaufort in Gent, of vinden hun bestemming in het buitenland: Paul Demeyer behaalt met zijn eindwerk “The Muse” (1976) een Oscar voor studentenfilms en werkt na zijn succesfilm “The Goose Girl” (1990) in de Verenigde Staten voor grote animatiefilmstudio’s. Ondanks de aanwezigheid van talent heeft de Vlaamse animatiefilmsector bij gebrek aan een stimulerende productiestructuur veel van zijn vitaliteit verloren.

Met Nicole van Goethem krijgt de Vlaamse animatiefilm onverwacht een opsteker van formaat: “Een Griekse Tragedie” (1985) wint in 1987 de Oscar voor beste korte animatiefilm. Opduikend ‘uit het niets’ staat Vlaanderen plots weer op de wereldkaart van de animatie. Het 6 minuten lange tekenfilmpje, geproduceerd door CinéTé van Willem Thijssen en zijn toenmalige partner Linda Van Tulden, laat drie kariatiden, vrouwenbeelden, zien die al eeuwen het bovenstuk van een Grieks tempeltje ondersteunen. Het trio en hun tempelruïne krijgen af te rekenen met natuurgeweld, vervuiling, archeologen en toerisme. Uiteindelijk zijn de vrouwen hun situatie beu en trekken ze vrolijk dansend het landschap in. Een perfecte illustratie van de ideeën van de vrouwenbevrijdingsbeweging die op dat ogenblik zeer actief was. Van Goethem maakt daarna nog twee korte tekenfilms: “Vol van Gratie” (1987) en “L.A.T. Living Apart Together”. Deze laatste wordt na haar onverwachte overlijden in 2000 postuum afgewerkt.

Het succes van Van Goethem leidt tot een voorzichtige revival van de korte auteursfilm. Oud-studenten van de KASK ondernemen pogingen om eigen films te realiseren. Subsidiëring stelt filmmakers en producenten in staat om steeds professioneler te werken. De komst van productiehuizen als S.O.I.L. in Brussel en Trope Films in Antwerpen brengt een nieuwe stimulans. Klaartje Schrijvers met “Chiome d’Oro” (1993), Stefan Vermeulen met “Suburbanites” (1998) en Bert en Geert Van Goethem met “Just to be part of it” (1999) worden herhaaldelijk bekroond.

Nieuwe talenten volgen in hun spoor. Daarnaast richten animators productiebedrijfjes op die zich toeleggen op commerciële opdrachten. Ook wordt er stilaan weer aan langspeelfilms gewerkt. Piet De Rycker regisseert samen met Thilo Rothkirch voor Warner Duitsland de lange tekenfilms voor kinderen “Tobias Totz und sein Löwe” (Tobias en Leeuw, 1999), “Der kleine Eisbär” (Lars de kleine ijsbeer, 2001) en “Lauras Stern” (Laura’s ster,2004). Voor “Till Eulenspiegel” (Tijl Uilenspiegel, Eberhard Junkersdorf, 2003) treedt het Antwerpse productiehuis De Familie Janssen (DFJ) als Vlaamse coproducent op. Toch moeten veel Vlaamse animators in hoofdzaak hun inkomsten zoeken bij buitenlandse studio’s. Paul Demeyer (die in 2000 voor Klasky Csupo met Stig Bergqvist “Rugrats in Paris – the movie” regisseert), Wouter Dierickx, Kris van Alphen, An Vrombaut (bekend van de kortfilm “Little Wolf” uit 1994 en de Britse tv-reeks voor kinderen “64 Zoo Lane”), Carl Van Isacker, Jeroen Dejonckheere, Frederik Du Chau (regisseur van de Amerikaanse langspelers “Quest for Camelot” uit 1998 en “Racing Stripes” uit 2005), Chris Hermans en nog anderen dragen bij tot de kwaliteit en het succes van buitenlandse animatiefilmproducties. Hun artistieke talenten worden overal gewaardeerd, maar kunnen in Vlaanderen bij gebrek aan een industriële infrastructuur en voldoende productiecontinuïteit vooralsnog te weinig gevaloriseerd worden.