VAN HET SIGARENKISTJE TOT DE PAILLARD BOLEX

Raoul Servais laat zich inschrijven aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent, afdeling Sierkunst. Voor het eerst voelt hij zich thuis in een schoolomgeving, vooral dankzij de jonge leraar Albert Vermeiren, die niet veel ouder is dan hijzelf. “Ik heb hem ingewijd in mijn plan: ik wilde een tekenfilm maken. Mijn besluit stond vast.” Van de techniek van de tekenfilm weet Raoul echter vrijwel niets af. Toch richt hij samen met zes medestudenten een ‘studio’ op in een gehuurde plantenserre buiten Gent. Hij schrijft het scenario voor een film en zijn maats mogen de tussentekeningen maken! Om de huur te betalen bezuinigt hij op het weekgeld van zijn ouders, die zich blauw werken om de studie van hun zoon te kunnen betalen. Het is nog steeds een tijd van rantsoenering.

(foto: De eerste camera van Raoul Servais, vervaardigd met een sigarenkistje) Door deductie probeert Servais de opeenvolgende stadia in het maken van een tekenfilm te reconstrueren. De tekeningen stapelen zich op, maar er ontbreekt nog iets: een camera.

Geconfronteerd met zoveel volharding en in het besef dat deze jongeman dermate verpaupert dat hij spoedig niets meer te eten zal hebben, stelt zijn leraar hem voor bij hem te komen werken en een camera ineen te knutselen. De camera komt er met behulp van een sigarenkistje! Zo wordt een eerste film “Spokenhistorie” opgenomen. De beeldkwaliteit is pover maar het animatievirus heeft zich goed en wel genesteld.

In de afdeling Sierkunst lijkt Servais echt los te komen: affiches, ontwerpen voor muurschilderingen, glasramen, tapijten – hij doet het allemaal.

Kort nadat hij afstudeert heeft hij een ontmoeting die bepalend zal worden voor zijn verdere leven: hij maakt kennis met Maurice Boel, een Oostendse schilder die van het expressionisme naar de abstracte schilderkunst is overgestapt. Maar Boels invloed zou van een totaal andere aard zijn: samen blazen ze nieuw leven in de Ciné-Club d’Ostende, een eerbiedwaardig instituut dat voor de oorlog was opgericht door cineast Henri Storck en surrealistisch schilder Félix Labisse. Via Boel, een man met een rijke cultuur, leert Raoul de ‘betere’ film kennen.

(foto: 1952 – bij de opnames van “De Zandloper”) Tijdens zijn militaire dienst profiteert Servais van zijn kazernering in Gent om een namiddag per week op bezoek te gaan bij Albert Vermeiren. Met zijn oud-leraar probeert hij een poppenfilm, die nooit zou worden afgewerkt, maar het feit is veelbetekenend: soldaat Servais gebruikt het beetje vrijheid dat het leger hem laat voor animatiefilm, die hem maar niet met rust laat. “Ik wist eigenlijk helemaal niets af van animatie. Ik wilde er meer over te weten komen, maar de studio’s waakten angstvallig over wat zij als beroepsgeheim beschouwden.” Servais neemt dan zijn toevlucht tot een heuse list: hij doet zich voor als journalist en stelt enkele lokale kranten (Het Kustblad en Zeewacht) voor een artikel te schrijven over ‘de animatiefilm in Vlaanderen’ (sic). Hij gaat vervolgens naar de studio Animated Cartoons van Ray Goossens in Antwerpen, op dat ogenblik enige actieve animatiefilmstudio. Maar hij krijgt geen toegang tot de productielokalen: “Wij bleven de hele tijd in het bureau van Goossens.” Servais is er echter de man niet naar om zich te laten ontmoedigen. Nog steeds onder het voorwendsel een artikel te schrijven reist hij naar de Gémeaux Studio’s in Parijs, gesticht door Paul Grimault. Ook daar keert hij teleurgesteld van terug: “Zelfs de animators kregen geen toegang tot de camera-afdeling. De diverse functies werden totaal van elkaar gescheiden gehouden om te voorkomen dat iemand een totaalbeeld van de productie zou krijgen.”

(foto: Raoul Servais, links, en René Magritte, 3e van rechts) In een poging om zijn droom een andere vorm te geven lanceert Servais zich in de live action-amateurfilm, in navolging van zijn vader, die ook amateurfilmer was geweest. In 1952 draait hij een kleine documentaire, op 8mm, over zijn vriend, de schilder Boel. Daarna onderneemt hij een experiment, “Parallèles”, een klankloze film over de overeenkomsten tussen de parallelle lijnen die hij om zich heen ziet, zoals telegraafkabels en spoorwegen. Voor “De Zandloper” filmt hij mensen die in Oostende, een beetje zoals overal aan de Noordzee, de stranden afschuimen op zoek naar allerhande aangespoelde voorwerpen.

Deze ervaringen doen Servais van échte cinema dromen: voor hem is de overgang van amateurisme naar professionalisme vooral een kwestie van formaat: hij wil overschakelen van 8 naar 16mm. Zijn droom heeft hij in het uitstalraam van een Oostendse winkel gezien: een Paillard Bolex die toen 25.000 Belgische frank kostte. Als jonggehuwde besluit hij zuinig te zullen zijn om op een dag in het bezit te komen van dat gegeerde apparaat. “De dag toen ik het nodige geld bijeen had en de winkel binnenging… wat een belevenis!” Toch voegt hij er meteen aan toe: “Ik had dan wel een camera, maar nog geen opnametafel!”

De cinema die Servais fascineert, lijkt hem dus niet echt de hand te reiken. Gelukkig wordt hij in beslag genomen door andere bezigheden die zijn aandacht wat afleiden van animatie. In 1953 werkt hij een aantal weken samen met de man die op dat ogenblik nog niet het ‘monstre sacré’ van de 20e-eeuwse schilderkunst was, maar die toch al een internationale faam genoot. René Magritte (1898-1967) had van de eigenaar van het casino van Knokke, de opdracht gekregen een panoramisch fresco te maken voor de Salle du Lustre. Deze Salle du Lustre was beroemd om haar monumentale luchter, één van de grootste in Europa. Onder leiding van Raymond Art, hoofd decoratie van het casino en samen met twee andere decorateurs en evenveel assistenten krijgt Servais in juni 1953 opdracht de acht doeken die Magritte de maand tevoren had afgewerkt te transponeren naar de cirkelvormige ruimte. Het werk in kwestie is “Le Domaine enchanté”, dat als ondertitel “Panorama surréaliste” meekreeg. Magritte, steeds gekleed in een keurig driedelig pak, heeft een hoge dunk van zichzelf. Servais raapt echter al zijn moed samen en maakt Magritte enkele suggesties in verband met technische zaken en in verband met kleurgebruik. De meester is daar allesbehalve mee opgezet en Servais wordt weggestuurd omdat hij ‘een instructie van Magritte genegeerd had’. Door tussenkomst van casinodirecteur Nellens wordt hij terug in het team opgenomen. De conflictueuze relatie met deze vooraanstaande Belgische surrealist zou Servais echter nooit beletten ingrijpend door diens werk beïnvloed te worden. Hij bekent gefascineerd geweest te zijn door diens “Modèle Rouge”, een doek waarop, tegen de achtergrond van een palissade, twee ‘voeten’ staan afgebeeld die tegelijk ook schoenen zijn. Doorheen het oeuvre van Magritte ontdekt Servais het surrealisme en zijn dubbelzinnigheid, wat hem steeds zou blijven fascineren, ook al zou hij zelf gestadig heen en weer blijven bewegen tussen het expressionisme en het magisch realisme.

Inmiddels zelf vader van twee kinderen, zoekt Servais naar een meer geregelde bron van inkomsten. Die komt er dankzij zijn politiek engagement: eerst voor de Jong Socialisten, nadien voor de Socialistische Partij. Hij tekent een “Geschiedenis van de Belgische Werklieden Partij” (voorganger van de Belgische Socialistische Partij), wordt medewerker bij de Gentse krant Vooruit, bij Le Peuple (Vlaamse en Franstalige kranten van de socialistische beweging) en ook bij Germinal, een Franstalig weekblad van de Parti Socialiste Belge). Hij maakt illustraties en ‘cartoons’, verhalende stukjes die net geen strips genoemd kunnen worden. Servais zou zich trouwens resoluut van de strip afwenden: “Ik was niet echt geïnteresseerd in strips.”